
Marjolijn, pedagogisch professional: "Op de groep leren kinderen van en mét elkaar."
Leren van elkaar
Een paar peuters gaan richting het toilet. Nieuwsgierig loopt een dreumes erachteraan. Wat gaan die daar doen? Dat wil ik ook proberen. “Zo’n alledaags moment laat mooi zien wat er gebeurt als kinderen samen opgroeien,” vertelt senior pedagogisch professional Marjolijn van Duijn. “Kinderen leren veel van elkaar. Juist doordat er verschillende leeftijden in een groep zitten, trekken ze zich aan elkaar op.”

Lekker spelen
De groepen zijn ingedeeld in hoeken die elk uitnodigen tot een ander thema: in de huishoek worden koekjes gebakken, in de leeshoek kunnen kinderen zich terugtrekken. “We hebben veel open-einde speelgoed, zoals de regenboog van Grimm. Voor het ene kind is dat een puzzel, voor het andere een boot, een racebaan of de muren van een dierentuin,” vertelt Marjolijn. “Er is sensorisch materiaal, zoals (kinetisch) zand. Dat repeterende overgieten van het ene bakje in het andere maakt kinderen rustig als ze overprikkeld zijn.” Voor kinderen die graag klimmen is er onder andere de Piklerdriehoek. “Bij het klimmen zoeken ze uit: waar zit mijn balans, waar moet ik me vasthouden? Als pedagogisch professional blijf je in de buurt en bewaak je de veiligheid, maar je neemt ook bewust wat afstand. Zo krijgt een kind de kans om zelf te ontdekken wat het kan. Ik zeg liever niet: ‘Voorzichtig’, want voor een jong kind is dat een ongrijpbaar begrip. Maar: ‘Hou je vast’ of ‘Let op je voeten.’ En ik bevestig ze: ‘Jij kunt dit, ik ben trots op jou.’ Je geeft een kind dus niet alleen hulp, maar vooral het vertrouwen om zelf die volgende stap te zetten.”
Ineens zit hij op de bank
Wat op de groep begint, groeit thuis verder. “Op een dag klimt een kind thuis ineens op de bank en denken ouders: ho, waar komt dit ineens vandaan? Terwijl het bij ons al een tijd heeft geoefend met klimmen.” Zo’n sprong op de bank lijkt misschien uit het niets te komen, maar er gingen allerlei kleine oefenmomenten aan vooraf: balans zoeken, vasthouden, proberen en ervaren dat het lukt. Ook nieuwe woorden, liedjes en spelletjes verhuizen mee naar huis. “We benoemen bij alles wat we doen de woorden. Met een spelletje als Reuzen en Kabouters gaat het over fantasie, maar ook over groot en klein, dik en dun, kort en lang. Spelenderwijs komen er zo steeds nieuwe woorden bij die een kind later ook buiten de groep kan gebruiken.”

Mini-samenleving
De groep is als een mini-samenleving. Een kind komt er kinderen tegen die ouder of jonger zijn, en iets al wél kunnen wat hij zelf nog niet kan. Of andersom: een kind dat thuis de jongste is, ontdekt op de groep ineens hoeveel het zelf al kan als er een baby naast hem zit. In zo’n groep oefent een kind iedere dag iets wat thuis minder vanzelfsprekend is: rekening houden met allerlei andere kinderen, ieder met hun eigen wensen, grenzen en tempo.
Ook kleine botsingen horen erbij, vertelt Marjolijn. “Een jong kind denkt nog erg vanuit zichzelf: ik wil die auto en dat jij hem toevallig vasthoudt, daar heb ik geen boodschap aan. Dan benoem ik wat er gebeurt: ‘Teun wordt nu verdrietig, want die wil ook graag met de auto spelen.’ Zo help je een kind langzaam begrijpen dat een ander óók iets voelt en wil. En ondertussen zorg ik voor wat ik een bliksemafleider noem: iets anders wat leuk is, zodat ik het kind daarin mee kan meenemen.”
Veilig en gezien
Niet ieder kind heeft hetzelfde nodig. “Het ene kind stort zich bij binnenkomst meteen in het spel, terwijl het andere de kat uit de boom kijkt. Sommige kinderen zijn gevoeliger of sneller overprikkeld. Daarom kijken we goed naar wat een individueel kind op dat moment nodig heeft. Het belangrijkste is dat een kind zich veilig en gezien voelt. Niet ieder kind vindt het fijn om meteen opgetild te worden. Dus ik ga op de grond bij ze zitten, zodat ze voelen dat ik in de buurt ben. Ik praat met ze, kijk ze in de ogen, maar laat het kind zelf bepalen wanneer het toenadering zoekt. Het ene kind kruipt meteen bij je op schoot, het andere kijkt liever nog even van een afstand.”
Wennen gaat volgens Marjolijn trouwens niet alleen over het kind. “Kinderen nemen de spanning van hun ouders vaak over. Vindt een ouder het lastig om afscheid te nemen, dan voelt een kind dat. Vaak is het verdriet zo voorbij zodra de ouder de deur uit is.” Om te kunnen blijven aansluiten bij wat ieder kind nodig heeft, delen de pedagogisch professionals hun observaties met elkaar. “Elke ochtend bespreken we kort alle kinderen: zijn er bijzonderheden, waar moeten we vandaag op letten? En ieder kind heeft een eigen mentor die het extra goed volgt. Als we van ouders horen dat een kind een druk weekend heeft gehad, houden we daar rekening mee. Dan gaan we wat langer naar buiten of bieden we iets aan waar het rustig van wordt.”
“Soms vertel ik het met een knipoog. Laatst had een kind in een creatieve bui van tafel gewoon doorgekleurd op de bank. Dan zeg ik tegen de ouders: hij wilde vandaag buiten de kaders kleuren, de hele bank is versierd.”
Ook bij het ophalen gaat het niet alleen over eten of slapen. Juist een klein voorval kan ouders laten zien wat hun kind die dag heeft ontdekt of meegemaakt. “Soms vertel ik het met een knipoog. Laatst had een kind in een creatieve bui van tafel gewoon doorgekleurd op de bank. Dan zeg ik tegen de ouders: hij wilde vandaag buiten de kaders kleuren, de hele bank is versierd.” Het zijn dit soort momenten die Marjolijn het mooiste vindt aan haar vak. “Dat ik onderdeel mag zijn van de ontwikkeling van een kind. Sommige kinderen zien we vanaf het moment dat ze als baby binnenkomen op het kinderdagverblijf tot hun twaalfde op de buitenschoolse opvang. Wij noemen onszelf mede-opvoeders, partners in de opvoeding. Je mag een stukje meelopen in het leven van een kind en zien hoe het steeds zelfstandiger wordt.”